Letter en geest – twee rechtsstelsels in beweging

Paul Wouters interviewt mr Marinus Vromans

Paul Wouters: Laten we beginnen bij de wetten. Als ik me niet vergis, dan hebben die in België en Nederland een gemeenschappelijke bron, namelijk de Code Napoléon. En als je verder teruggaat, moet je vaststellen dat we in juridisch opzicht samen met veel moderne staten erfgenamen zijn van de oude Romeinen.

Marinus: “Dat is juist, maar de ontwikkelingen op juridisch gebied zijn in de aflopen decennia vooral in Nederland heel snel gegaan. Die evolutie heeft daar geleid tot de introductie in 1992 van het Nieuw Burgerlijk Wetboek, waarmee alles weer een keer op orde is gebracht in een overzichtelijk geheel. In België heb je dat niet. Hier zit je in wetboeken al snel weer bij de wetten van begin negentiende eeuw. In beginsel gelden die nog steeds, maar in de loop der tijd zijn er natuurlijk veel updates, vaak via afzonderlijke wetten, overheen gekomen en die moet je maar weten te vinden. Ik moet zeggen dat België onlangs is begonnen orde op zaken te stellen door de bepalingen van een aantal afzonderlijke wetten op het gebied van economisch recht bij elkaar te brengen in het nieuwe Wetboek van Economisch Recht, dat dit jaar werd ingevoerd. Een grote stap vooruit, maar niet voldoende! Vooral de procedures in België zijn niet aangepast aan de eisen van een moderne samenleving. Wat het rechtssysteem in België ook ingewikkeld maakt, is dat de wetgever de uitwerking van basiswetten overlaat aan de regering, waardoor men behalve in de wetboeken ook recht moet gaan zoeken in een grote berg Koninklijke besluiten, die in een Staatsblad met vaak duizenden pagina’s gepubliceerd worden. Terwijl in Nederland de meeste uitspraken zo te vinden zijn op www.rechtspraak.nl, is Belgische rechtspraak moeilijk toegankelijk.Een belangrijk verschil is tevens dat de Nederlandse wet door de invoering van open normen als bijvoorbeeld ‘redelijkheid en billijkheid’ en ‘wijziging van omstandigheden’, aan de rechter een zekere ruimte biedt om, aan de hand van de concrete omstandigheden van een zaak, tot een goed gemotiveerde en, juist om die reden, voor beide partijen aanvaardbare beslissing te komen. De Belgische rechter is veel meer gehouden aan de – weinig flexibele – letter van de wet onder het motto ‘contract is contract’. In Nederland kan de rechter een contract wijzigen of zelfs buiten toepassing verklaren, indien het, gelet op de concrete omstandigheden, onredelijk zou zijn dat een partij de andere aan zijn verplichtingen houdt”.

Marinus, ik begrijp dat een Belgische advocaat slimmer moet zijn dan een Nederlandse.

“In zekere zin wel. Wat van de advocaat vooral veel behendigheid vergt, is manoeuvreren in de archaïsche Belgische procedureregels, waar formele regeltjes vaak belangrijker lijken dan het verzekeren van een efficiënte en snelle rechtsgang. In Nederland is de rechtspraak een redelijk efficiënt gemanaged bedrijf geworden, terwijl je dat in België het beste kunt zien als een verzameling van individuele rechters. Het begint ermee dat België niet één soort rechtbank kent maar verschillende soorten, met elk hun eigen bevoegdheidsregels, zodat enorm veel tijd en energie besteed wordt aan de procedurele vraag, welke rechtbank eigenlijk bevoegd is in een bepaalde zaak. Denk alleen maar eens aan het hier nog bestaande onderscheid tussen ‘handelaar’ en ‘niet-handelaar’ en aan het begrip ‘daden van koophandel’, die bepalend zijn voor de vraag welke rechter bevoegd is. Overigens zijn deze begrippen sinds 1 juli 2014 onder invloed van het Europese recht vervangen door de meer moderne begrippen “onderneming” en “alle personen die op duurzame wijze een economisch doel nastreven”, maar de rechtbanken van koophandel bestaan nog steeds. Het is geen uitzondering dat een rechtbank hier na jaren procederen tot de conclusie komt dat zij niet bevoegd is om een beslissing te nemen over de inhoud van de zaak. Zeer inefficiënt en verspilling van energie en geld. En wat te denken van de justitiabele, die jaren last heeft van een
eindeloos durende procedure, wat emotioneel zeer belastend kan zijn. De rechtsstaat als labyrint…

Nederlandse rechter heeft enige ruimte, in België gehouden aan de letter van de wet

Als een zaak dan wordt opgepakt, dan stelt de Belgische rechter zich niet op als een procesmanager. Hij of zij is, uitzonderingen daargelaten, niet sturend maar lijdzaam, in feite bepalen partijen de kalender en daarmee de voortgang. Wanneer zij hun zaak ‘in staat’ achten – hetgeen zoveel betekent dat elk van hen van mening zijn dat in de zaak wel alles is gezegd – vragen zij de rechter een datum voor de pleidooien te bepalen. In tegenstelling tot in Nederland wordt er hier vrijwel altijd gepleit. Ten slotte kent Nederland uitsluitend goed opgeleide beroepsrechters, terwijl in de Belgische rechtbanken van koophandel naast een “beroepsmagistraat” ook niet beroepsrechters zetelen en in de arbeidsrechtbanken, die Nederland evenmin kent, vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers.

advocaten

Een proces kan hier een hele tijd doormodderen. In Nederland kiest de rechter vaak voor een comparitie van partijen, wat trouwens een Nederlandse uitdrukking is, die verwijst naar een persoonlijk verschijnen van partijen door de rechtbank, zodat ze het bij nader inzien met elkaar op een compromis kunnen gooien. Dat kan hier wel, maar wordt vrijwel nooit gedaan; het is ook minder kansrijk, want conflicten worden hier eerder nog hoger opgestookt dan gedempt. ‘Mediation’ is alles behalve populair. Getuigen worden in een civiel geding trouwens ook zelden gehoord, in tegenstelling tot in Nederland. In arbeidszaken gebeurt het hier overigens wel.

Je weet dat het taalspel Tien voor taal, dat lang op televisie was, vaak door Vlamingen gewonnen werd. Wist je ook dat er pleidooiwedstrijden voor advocaten gehouden worden en dat de Belgen ook die doorgaans winnen? De verklaring lijkt mij, dat het pleidooi erg belangrijk is in België. Het is bij uitstek het moment waarop partijen hun zaak ten overstaan van de rechter toelichten. Dat is in een Belgische procedure mede daarom zo belangrijk, omdat je maar nooit weet of de rechter de stukken wel heeft gelezen. In Nederland ondenkbaar”.

Zie je nog andere verschillen tussen de Belgische en de Nederlandse advocatuur?

“Ik zie een duidelijk verschil in de manier van communiceren met de cliënt. De Belgische advocaat heeft sterk de neiging om in de plaats van de cliënt te treden; die moet in vertrouwen en liefst ook in lijdzaamheid de acties van de advocaat maar afwachten. Hij of zij is met een dossier bezig en vergeet zijn cliënt soms. Ik ben zelf geneigd om cliënten vrij vlot te informeren over de stand van zaken en meer adviserend op te treden dan in hun plaats beslissend. Je denkt dan dat je daarmee het cliëntenbelang dient, maar de Belgische cliënt kijkt hier soms toch anders tegenaan. Als zijn advocaat hem snel informeert en regelmatig overlegt, kan hij de indruk krijgen dat de raadsman weinig omhanden heeft en dat is niet goed voor het vertrouwen. Ik chargeer nu enigszins, maar je krijgt wel eens de indruk dat een dienstverlener ‘op niveau’ zijn cliënt moet verwaarlozen om gerespecteerd te worden. In Nederland is er meer transparantie naar en betrokkenheid van de partijen zelf; zij zien zelf wat er gebeurt – in België is het mystiek. Verder zijn er enkele wettelijke verschillen. Zo mag de Belgische advocaat bijvoorbeeld niet in dienstverband werken, omwille van de onafhankelijkheid die in acht moet worden genomen.

Ook als ze geassocieerd zijn met een kantoor, werken ze dus in feite als zelfstandige. Een verschil dat nu wordt weggepoetst, is dat de dienstverlening van de Belgische advocaat niet langer is vrijgesteld van BTW. Daar bestaat overigens redelijk wat weerstand tegen en er loopt een juridische procedure vanuit de beroepsgroep om de BTW-verplichting aan te vechten, maar die maakt mijns inziens weinig kans. Helaas moet ik hier ook vermelden dat de advocatendichtheid in België hoger is dan die in Nederland en dat uit een enquête bleek dat het imago van de advocaat hier aanzienlijk minder positief is dan ten noorden van de landsgrens. Ik vind dat in vele gevallen onterecht. De advocaat wordt afgerekend op ‘slow justice’, terwijl het ook de verantwoordelijkheid van de overheid is een rechtsgang te organiseren, die een snelle en efficiënte beslissing garandeert”.

Nederlandse rechtspraak efficiënt gemanaged bedrijf geworden

Paul Wouters: Toen ik zelf in aanraking kwam met het gerecht, in Nederland, heb ik daar geen goed gevoel aan overgehouden. De kwestie was in het kort deze. Op zeker moment stuurde een leverancier mijn bedrijf een onterecht hoge rekening toe. Ik weigerde de factuur uiteraard met opgave van redenen te betalen. Binnen de kortste keren liet die leverancier beslag leggen op alle bankrekeningen van het bedrijf, hetgeen wel erg vervelend is. Dus dan moet je zelf ook een advocaat onder de arm nemen en gaan procederen. Het beslag werd in kort geding al snel opgeheven, maar vervolgens diende een bodemprocedure, waarin het dus inhoudelijk ging om de deugdelijkheid van de vordering. Vijf jaar later, vele advocatenrekeningen verder, toen de leverancier al lang failliet was verklaard, werd eindelijk recht gesproken. Je houdt er geen ‘rechtsstatelijk gevoel’ aan over.

Marinus: “Dat is inderdaad een reëel probleem en dat is in België zeker niet kleiner. Wel is het in België minder simpel om conservatoir (in Vlaanderen ‘bewarend’) beslag te laten leggen.

Dat kan alleen wanneer de vordering niet betwist wordt. Ik hoor je ‘kort geding’ zeggen. België kent het kort geding ook, maar de bevoegdheid die de Nederlandse rechter zich toekent in kort geding is aanzienlijk ruimer. Bovendien bestaat er in België ook een procedure ‘als in kortgeding’ geheten. (Let op: in Nederland wordt dit in twee woorden geschreven: ‘kort geding’.) Toegegeven, het is niet makkelijk uit te leggen. Nederlandse collega’s willen in hun rechtlijnigheid dan weten of dit al dan niet een kort geding is. Het antwoord is ja en nee; ‘ceci n’est pas une pipe’ nietwaar. Het is een kort geding in die zin dat het vrij snel kan gaan; het is geen kort geding in die zin dat het ook gaat over de grond van de zaak. Bovendien kan men aan de rechter ’als in kortgeding’ alleen vorderingen uit niet-contractuele aansprakelijkheid voorleggen en bijvoorbeeld geen nakoming van een contract vragen. Het is niet moeilijk om hier de weg kwijt te raken, zeker voor een Nederlander, juist omdat hij denkt dat hij dezelfde taal spreekt.

Pleidooiwedstrijden voor advocaten meestal door Belgen gewonnen

Ten aanzien van jouw casus zou er in België nog meer goed nieuws te melden zijn, namelijk dat procederen hier goedkoper is. Je betaalt maar een fractie aan kosten aan de rechtbank van wat je in Nederland kwijt zou zijn en de rekeningen van je advocaat zijn minder gepeperd. Mijn ruwe schatting is dat het honorarium, naar overeenkomstig niveau, ongeveer 25 percent lager ligt in België. Het slechte nieuws in België zou zijn dat het, zeker in geval van hoger beroep, nog langer kan aanslepen, sterk afhankelijk van het soort rechtbank en de plaats. Wat ook nogal eens gebeurt, is dat één van de partijen, lopende een burgerlijke procedure, een strafrechtelijke aanklacht indient, bijvoorbeeld wanneer er een verdenking is van bedrog. Dan wordt het burgerlijk geding opgeschort en begint het Openbaar Ministerie met een onderzoek. Pas wanneer het strafrechtelijke geding zijn beloop heeft gekregen, kan het burgerlijke geding weer worden opgepakt. Je kunt je voorstellen we hier dan spreken over vele, lange jaren. En inderdaad, dat strookt niet met een basisbeginsel van de rechtsstaat. Het Hof van Straatsburg heeft België al vaak veroordeeld vanwege schending van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, dat stelt dat eenieder recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn. Er gebeurt niets mee. Een Nederlandse rechter, die zich zoals gezegd actief opstelt, kan zich op artikel 6 beroepen om bijvoorbeeld partijen de mogelijkheid tot pleiten te ontnemen. Dat zou in België een vloek in de kerk zijn, pleiten wordt hier immers beschouwd als de kern van het proces. Het Belgische Hof van Cassatie heeft veel minder gezag dan de Nederlandse Hoge Raad. De arresten van dit hof, dat de rechtspraak van lagere rechtbanken op procedure toetst, excelleren in wollig taalgebruik. Ze gaan confrontatie uit de weg en proberen de kerk in het midden te houden. Kijken we naar de rol van de Hoge Raad in Nederland, dan zien we daar een college met groot gezag dat vaak niet mis te verstane uitspraken doet, die rechtbanken als richtsnoer accepteren. Dat zorgt er voor dat lokale verschillen in Nederland minder ter zake doen dan in België en dat Nederlands recht in die zin dus weer meer rechtszekerheid biedt”.

Beide rechtssystemen van binnenuit kennende Marinus, wat vind je het beste?

“Je vraagt mij een rechtssysteem uit 1804 (België) te vergelijken met een systeem uit 1992 (Nederland). Dat is wat mij betreft geen eerlijke vergelijking. In het algemeen zou ik zeggen dat het Nederlandse rechtsbedrijf modern, flexibel, transparant en proactief is. Het Belgische en dan vooral het Belgische procesrecht is archaïsch, star, ondoorzichtig en reactief. Ik kan daar een sprekend voorbeeld van geven, namelijk de claims die de aandeelhouders van Fortis hebben ingediend in verband met de kapitaalsverhoging in 2008 en de mogelijke aansprakelijkheid van het bestuur van Fortis wegens wanbeleid. Tegen Fortis kan, wegens haar parallelle structuur, zowel in Nederland als in België geprocedeerd worden en dat gebeurt ook. Ik stel vast, dat de Nederlandse rechter de aansprakelijkheid op zich van een aantal bestuursleden inmiddels heeft vastgesteld en zich thans buigt over de vraag of gedupeerde beleggers hun schade vergoed krijgen.

In de Belgische procedures heb ik nog niet veel voortgang gezien. In zaken als deze geldt inmiddels het parool: probeer indien enigszins mogelijk voor de Nederlandse rechter te procederen. Nu spreek ik wel tegen mijn eigen parochie!

Advocaat- en rechtbankkosten in België lager, maar zaken kunnen langer aanslepen

Al met al moet ik tot de conclusie komen dat justitie in Nederland een voorsprong heeft op België. Dat heeft ongetwijfeld te maken met de moeilijke politieke situatie in het Belgische labyrint. Ik vind het opvallend dat de Belgische wetgever in vele gevallen slechts in beweging lijkt te komen, indien hij daartoe gedwongen wordt door de Europese wetgever. Op het gebied van het staats- en administratief recht liggen de zaken duidelijk anders. Door de vele staatshervormingen is zowel de wetgeving als de procesgang op die rechtsgebieden zeer recent. Waarschijnlijk om die reden is de rechtsbescherming tegen de overheid op een efficiënte manier gewaarborgd. Bovendien biedt België een rechtsbescherming die Nederland niet kent. Belanghebbenden kunnen wetten door het Grondwettelijk Hof laten toetsen aan de grondwet. Een dergelijk constitutioneel hof kent Nederland niet. In informele gesprekken met Nederlandstalige Belgische rechters hoor ik sinds kort regelmatig verwijzen naar voorbeelden uit het Nederlandse rechtsbedrijf, die in België navolging zouden verdienen. En Procureur-generaal Duinslager van het Hof van Cassatie trok recentelijk in een belangrijke rede aan de alarmbel. Een citaat waarin veel bij elkaar komt: “De onvoldoende begrijpelijke taal is […] een vaak terugkerend punt van kritiek, naast de ontoegankelijkheid van het gerecht, het gebrek aan voldoende kennis van de werking ervan, het gebrek aan transparantie en de afstandelijkheid, de wereldvreemdheid, het gebrek aan klantvriendelijkheid, de traagheid die resulteert in gerechtelijke achterstand, de te talrijke procedurefouten die leiden tot straffeloosheid, het gebruik aan eenduidigheid in bestraffing eens dat de feiten bewezen zijn verklaard, en de hoge kosten”. Bemoedigend is dat nu dus wel sprake is van erkenning van de problematiek.

Enkele dagen na ons gesprek, november 2014, legt de nieuwe justitieminister Koen Geens zijn beleidsverklaring af in de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Marinus Vromans wordt daarin op zijn wenken bediend. De minister erkent dat België met zijn rechtssysteem nog stevig in de negentiende eeuw staat en hij presenteert een grootscheepse moderniseringsslag, over de hele breedte van wetgeving en rechtspraak. Bijzonder grondig gaat het strafrecht op de schop: “De regering wil niet alleen het materieel strafrecht hervormen en meer coherent maken, maar heeft ook de ambitie om de strafprocedure grondig te hervormen en te rationaliseren. De huidige strafprocedure (die teruggaat op een Napoleontische code van 1808) biedt in de complexiteit van de hedendaagse samenleving onvoldoende waarborgen voor een efficiënte en effectieve afhandeling van alle strafzaken binnen een redelijke termijn, en met respect voor de rechten van verdediging. Dit is nefast voor de geloofwaardigheid van ons strafrechtelijk systeem, en in het bijzonder voor de slachtoffers. Zij verwachten terecht van het gerechtelijk apparaat een spoedige en duidelijke reactie”.

In de pers krijgt vooral het voorstel om de rol van het jurysysteem in te perken veel aandacht. Voor het Hof van Assisen komen de zware misdaden; zoals in de VS oordeelt daar een jury uit het volk over de schuldvraag. Uiteraard werkt het jurysysteem de efficiency niet in de hand en bovendien kan men zich in gemoede afvragen of twaalf min of meer lukraak aangewezen vertegenwoordigers van ‘het volk’ over voldoende expertise beschikken om een oordeel te vormen over in toenemende mate technisch gecompliceerde dossiers. De minister komt nu met een compromisvoorstel, namelijk om misdrijven in de sfeer van terrorisme of zware criminaliteit bij de volksjury weg te halen. De volksjury heeft volgens de minister nog wel zin heeft bij passionele misdrijven. Ik citeer nu uit de krant: “‘Totaal niet mee eens,’ klinkt het behoorlijk verontwaardigd bij Erwin Van Fraechem, die als rechter ruim vijftig assisenprocessen voorzat. ‘Het assisenhof blijft in mijn ogen de meest democratische instelling die er bestaat, net omdat de maatschappij daarin prominent vertegenwoordigd is via die volksjury. In mijn ogen zal het oordeel van twaalf juryleden over de schuldvraag altijd een stuk genuanceerder en dus ook correcter zijn dan dit van twee of drie beroepsrechters.’ Met het idee om de volksjury enkel nog in zogenaamde passionele moordzaken in te schakelen, slaat minister Geens volgens Van Fraechem de bal dan ook helemaal mis. ‘In dat soort zaken gaat het doorgaans om aller-individueelste emoties, met een relatief beperkt maatschappelijk belang. Het zijn net de terrorismeprocessen of grote misdaaddossiers die wél van groot maatschappelijk belang zijn, en waarin het genuanceerde oordeel van een brede volksjury dus een meerwaarde kan hebben”.

“Ik bedoel maar: dit is voor de regering nog lang geen gelopen race. De geschiedenis raak je niet makkelijk kwijt. En nog een andere bedenking dringt zich op, dezer dagen, want terwijl bij Belgen het besef groeit dat ze meer de Nederlandse kant op moeten – doorgaans zonder die kant openlijk zo te noemen – groeit in Nederland de weerstand tegen de gerealiseerde efficiency, met name in het strafrecht. In 2013 werd een procedure van versnelde rechtspraak ingevoerd onder de titel ‘Zo Snel, Slim, Selectief, Simpel, Samen en Samenlevingsgericht Mogelijk’, afgekort ZSM. Twee keer ‘samen’ in één slogan zal Nederlandse hartjes sneller hebben doen kloppen, maar nu krabt men zich toch achter het oor. Aan de ene kant is ZSM wat efficiency betreft een geweldig succes te noemen: in 2013 kregen meer dan 20.000 verdachten bij de eerste beoordeling een zogenaamde strafbeschikking. Dat houdt in dat de officier van justitie reeds op de dag van aanhouding bij lichte vergrijpen een straf oplegt.

Aan de andere kant: wie daartegen in beroep gaat, krijgt vrijwel steeds een lagere straf van de rechter. Doch slechts in 14 procent van de gevallen doet men dat. Verdachten voelen zich vaak geïntimideerd door de politie en ze realiseren zich niet dat ze met de beschikking een strafblad krijgen, wat hen kan achtervolgen wanneer ze een Verklaring Omtrent Gedrag nodig hebben, in België ‘Bewijs van Goed Gedrag en Zeden’ genoemd. Gerrit Dijkstra van de Universiteit van Leiden verklaart in De Volkskrant van 24 november 2014: “Onder druk van efficiency komen grondrechtelijke waarden onder druk te staan. De rechtsstaat heeft kosten, maar de politiek is steeds minder bereid die te betalen”.

Nederlandse rechter veel verder in Fortis-zaak dan Belgische collega

We zien twee samenlevingen onderweg in voortschrijdende modernisering, met horten en stoten. Hun juridische fundamenten spelen nu eens een bevorderende, dan weer een vertragende rol. Onderling lopen de ontwikkelingen uit fase: België staat op dit gebied, mede als gevolg van een grotere bestuurlijke complexiteit, voor een geweldige inhaalbeweging ten overstaan van Nederland.

Marinus Vromans studeerde Nederlands privaatrecht en Europees recht aan de Universiteit van Utrecht. Vervolgens specialiseerde hij zich in Europees recht aan het Europa College te Brugge. Van 1978 tot 2014 was hij advocaat aan de Balie van Amsterdam. Na zijn verhuizing naar Brussel in 1995 schreef hij zich in als (Belgisch) advocaat bij de Nederlandse Orde van Advocaten te Brussel en in 2012 bij de Balie te Antwerpen. In 2000 behaalde hij een Master in Belgian Business Law aan de Universiteit van Antwerpen. Sedert 1 januari 2008 is hij vennoot van Vanden Eynde Legal.

Paul Wouters, management consultant

België

Geef commentaar

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *