Warum wir das schaffen

1992 De zeerechtpraktijk in Amsterdam nieuw leven inblazen. Het was het raam dat open ging, toen mijn plan in Praag een kantoor op te zetten, afgeschoten werd. De zuigkracht van Rotterdam had de Amsterdamse rederspraktijk voor advocaten tot praktisch nul teruggebracht. Tot leedwezen van de Amsterdamse cliënten. Ik wist wie ik een plezier kon doen met fris bloed, dus de eerste woensdag na mijn aankomst in het kantoor Amsterdam zat ik al bij de heer Walstra, plaatselijk de grootste vertegenwoordiger van P&I clubs, de verzekeraar van reders. En hij was blij met mijn komst. Zo hoefde hij niet telkens zijn zaakjes aan die snelle Rotterdammers toe te vertrouwen.

En jawel, die vrijdagmiddag al een telefoontje, of ik de identiteit van Ethiopische verstekelingen wilde vaststellen. Zaterdag zou het schip in IJmuiden aankomen. Het was niet de eerste keer dat ik uitreispapieren moest organiseren voor ongewenste opvarenden. Verstekelingen brengen de kapitein en de reder in een lastig parket. Zij kosten veel tijd, energie en geld zolang ze aan boord blijven. Met wat pech kan het jaren duren, voordat het lukt de verstekelingen aan land achter te laten of op het vliegtuig terug naar huis te zetten.

Snel een Ethiopische tolk Amhari-Nederlands organiseren en de volgende dag meld ik mij op het politiebureau in de haven van IJmuiden. Verstekelingen mogen niet aan boord blijven zolang het schip in de haven ligt. Ze worden aan land in vreemdelingenbewaring genomen, totdat het schip verder vaart. Dus ik zal de twee jongemannen spreken in een verhoorcel. Maar nog voor zij binnengebracht worden zegt de dienstdoende wachtmeester tegen mij en met name tegen de tolk: er wordt niet onderling gesmoesd. Als het woord asiel valt, vliegen jullie er meteen uit. Dat ik de mannen op het politiebureau mag ondervragen is een gunst van de politie, dus ik moet me aan hun regels houden en zorgen dat de tolk niet het verlossende toverwoord aan zijn landgenoten prijsgeeft.

Het belang van mijn cliënt de reder, mag ik ook niet verklappen: met mijn verklaring over de identiteit van de verstekelingen bij het Ethiopisch consulaat in Rotterdam proberen uitreispapieren te krijgen en hen op het vliegtuig naar Addis Abeba krijgen voordat het schip Nederland verlaat.

De jongemannen informeren mij braaf over hun naam, geboortedatum, geboorteplaats, naam en voornaam van hun ouders, van hun grootouders, van broers en zussen. Ik kan niets checken of verifiëren, want ik heb net zo min als zij ook maar een stukje papier over hen. Gaandeweg wordt de stemming agressiever. Ze beginnen te begrijpen waar de reis naar toe gaat. Ze beginnen de tolk in Amhari vragen te stellen. De politieagent grijpt in. Een van de jongemannen staat plotseling op en zegt in het Engels of in Amhari, in elk geval voor ons in niet mis te verstane bewoordingen en gebaren: als ik terug op dat schip moet, dan… Hij maakt een gebaar alsof hij zichzelf de keel doorsnijdt. We reageren allen professioneel. De gemoederen worden bedaard, zo goed en kwaad als het gaat. Met ondertekende verklaringen van de mannen verlaat ik verrichterzake het politiebureau. Ik heb het eerste deel van mijn taak met succes volbracht. Maar het geeft mij verre van een voldaan gevoel. Mijn taak is het de belangen van de reder te behartigen. Het belang, het rechtvaardig belang, van de reder, is de verstekelingen van boord te krijgen. Ik doe mijn werk in overeenstemming met de eed die ik gezworen heb: dat ik geen zaak zal aanraden of verdedigen, die ik in gemoede niet gelove rechtvaardig te zijn. De agressieve wanhoop van de verstekeling laat de gedachte ontkiemen dat er een hogere wet is om aan te gehoorzamen. Ik weet alleen niet hoe, dus het blijft bij een vage wroeging.

Maandagmorgen op kantoor. Ik vertel niemand wat ik meegemaakt heb, maar de gang gonst van geruchten over de Rotterdamse overvlieger. Een collega durft mij direct aan te spreken. Opgewonden zegt ze: “Ik heb gehoord, dat jij waanzinnig succesvol bent. Je hebt nu al het hele weekend gewerkt.” Ik zeg niets en voel de kloof zich verbreden.

Woensdagochtend. Krant: Dinsdagmiddag is een Ethiopische man verdronken toen hij in de Nieuwe Waterweg sprong, vanaf het schip waarop hij verstekeling was. Het schip van mijn cliënt was op zondag van IJmuiden naar Rotterdam gevaren om verdere lading te lossen en te laden. Bij vertrek uit Rotterdam moet het gebeurd zijn.

1994 Ik ga alsnog oostwaarts. Na een jaar word ik Rechtsanwalt. En na nog een jaar open ik mijn eigen kantoor in Berlijn.

2016 Een of andere overheidsinstantie belt op: u doet toch zeerecht? En u heeft toch Arabisch gestudeerd? Hij had mij op internet gevonden. Kunt u een Syrische advocaat een stageplaats aanbieden? De soort van stageplaats die de case manager zoekt kan ik niet bieden, maar ik wil de Syrische confrère wel op weg helpen. Ik krijg Ismail meteen aan de telefoon en daarna zijn vrouw, die beter Engels spreekt. Het zijn jonge aanpakkers, die de tijd die ze als vluchteling in Griekenland en Turkije doorgebracht hebben, behalve met elke mogelijk baantje, ook benut hebben om zich bij een organisatie voor andere vluchtelingen in te zetten, met name voor de bescherming van vrouwen.

Ze zijn sinds twee weken in het land, langs de wegen van de EU-Turkije deal. Het internet in het asielcentrum doet het nauwelijks. We sms-en en schrijven dear colleague. Ik probeer een stageplek voor Ismail te vinden, zonder succes. Ik probeer een werkplek voor Ismail te vinden, zonder succes. Maar allah, pogingen kunnen het moreel ook sterken.

Na een paar weken bezoek ik op een zondagmiddag Ismail en zijn vrouw in het vluchtelingencentrum. Een kamp kun je het niet noemen, daarvoor ziet het te geordend en proper uit. Afgesloten met stevige hekken, slagboom en security. Wooncontainers op kaal asfalt. Ismail haalt mij bij de portier op.

Ze delen de container met een gezin met kleine kinderen. Mijn jas en tas worden meteen netjes in een kast opgeborgen, uit respect voor de medebewoners. Ik geef Aylin, Ismail’s vrouw met hoofddoek, een hand. Ze neemt deel aan het gesprek. Door de oorlog heeft ze haar studie civiele techniek op moeten geven. Ze wil die hier weer oppakken. Ismail had al drie jaar als zelfstandig advocaat de praktijk uitgeoefend in Syrië. Zijn militaire dienst had hij vervuld voordat de burgeroorlog uitbrak. Toen hij voor parate dienst opgeroepen werd, verliet hij Syrië ijlings.

Ik zie bij Ismail en Aylin een gelijkwaardigheid en gelijkgerichtheid in hun levensdoelen en onderlinge verstandhouding. Samen proberen ze zo goed en snel mogelijk vaste grond onder hun voeten te krijgen. Ze hebben zich ingeschreven voor het hoogste taalniveau. Ik heb het vermoeden, dat de eigen woning die ze binnen een paar maanden zullen krijgen een weerspiegeling is van hun inzet en motivatie.

Ik verontschuldig mij bij Aylin, dat ik haar bij de eerste begroeting een hand heb gegeven. Dat doe je toch niet bij een Moslima? Dat klopt, maar als jij je hand uitsteekt, dan zal ik je niet in verlegenheid brengen door die hand te weigeren.

Ismail en ik besluiten tot een gemeenschappelijk project. Ik heb nog een lange autorit, dus ik neem om vijf uur afscheid. Maar nee, geen sprake van. Bijna ongemerkt heeft Aylin tussendoor eten gemaakt: een Arabisch maal voor hun westerse gast. Een enorme couscous, waarvan de helft op mijn bord terecht komt. Ik protesteer, dat dat teveel voor mij en te weinig voor hen is. Voor de vorm wordt een klein hoekje couscous van mijn bord teruggenomen. Dan krijg ik nog een grote bak yoghurt.

Met z’n drieën zijn we blij over de uren die we samen doorgebracht hebben, op een plek en onder omstandigheden die weliswaar veel beter zijn, dan vanwaar Ismail en Aylin gekomen zijn. Maar ik hoop dat de omstandigheden zich snel verder voor hen zullen verbeteren en dat ik, inshallah, nooit in dergelijke omstandigheden zal komen.

Vluchtelingen opnemen, waarom “schaffen wir das”? Niet omdat we het rijke Westen zijn, maar vanwege de medemenselijkheid, die boven elk systeem uitstijgt.

mm november 2016

Duitsland

Geef commentaar

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *